Ik heb een indeling gemaakt van deze pagina in blokken, net als de baan, hieronder een overzicht van die blokken.
Klik op een van de titels om er direct naar toe te springen.
Deze pagina is nog lang niet af.

De voeding.

Trein detectie.

Trein regeling.

Schakel tableaus.

Wisselbediening.

De inhaalstations.

Er komt nog veel meer.....

De voeding.
We maken gebruik van een aparte voeding voor de treinen per geschakeld deel van de baan. D.w.z. dat alle 15 blokken van onze baan een aparte voeding hebben.
Verder is er een aparte voeding voor de elektronica en een voor de stoppers en wissels van de autoweg. De transformator die we gebruiken om het geheel aan te sturen is een ringkern trafo met 2 secundaire wikkelingen van elk 9 Volt, 5 Ampère. Deze wikkelingen staan in serie geschakeld en geven hiermee 18 Volt wisselspanning. Na gelijkrichting en afvlakking geeft dit ongeveer 26 Volt gelijkspanning. Dit geeft genoeg vermogen om uiteindelijk de geplande 12 treinen op de baan te kunnen hebben. De voedingen voor de trein zijn afgesteld op 16 Volt, die voor de elektronica op 12  Volt en die voor de autoweg op 24 Volt. Alle voedingen zijn voorzien van een kortsluit beveiliging die de spanning reduceert maar niet de stroom onderbreekt bij kortsluiting. Voor de trein is een maximale stroom sterkte van 1,5 Ampère voldoende om met 2 motorwagons of locomotieven te kunnen rijden op 1 voeding. Dit omdat dat een aantal van de treinen dubbel tractie hebben.

Terug naar de top

Trein detectie.
Treinen kunnen het makkelijkst worden gedetecteerd door hun stroomafname te meten, geen stroom = geen trein. Bij gelijkstroom, zoals op onze baan wordt gebruikt heb ik 2 diodes in de min draad opgenomen en hierover meet ik met een transistor of er stroom loopt. Een schema hiervan volgt later. Het detecteren van het einde van een trein is wat moeilijker. Je zou een signaalgever in de laatste wagen kunnen inbouwen zoals een magneet en dan op de juiste plaats in de rails een reed relais inbouwen of de assen van de laatste of alle wagons voorzien van een weerstandje tussen de wielen. Dit alles heeft nadelen want je kunt niet zomaar een wagon uit de winkel op je baan zetten of de laatste wagen op een opstel spoor bij het station achter laten en dat is nou juist wel wat we willen. Of voor een infrarood poortje waar de trein tussendoor rijdt. Deze kan dan een puls geven als hij de trein een bepaalde tijd niet meer ziet. Voor het camoufleren van zo'n infrarood poortje kan worden gedacht aan een bosje of een markeringspaaltje. Voorlopig hebben we afgezien van een einde trein detectie omdat testen met een infrarood poortje niet goed gingen. Sommige blokken moeten echter wel expliciet vrij gegeven worden, b.v. de enkelsporige delen, en daarvoor gebruiken we nu het signaal dat de trein in het eind deel van het volgende blok is aangekomen.

Terug naar de top

Trein regeling.
De elektronica is gebaseerd op puls breedte regeling. Dit heeft 2 voordelen. De eind transistoren worden niet heet omdat ze weinig spanning te verwerken krijgen  ( ze schakelen snel aan en uit ) en je kunt makkelijk langzaam optrekken en afremmen. Veel van deze regelingen werken met een schakel frequentie van ongeveer 400 Hertz. D.w.z. 400 maal per seconde aan en uit. Dit is ook het geval bij ingebouwde digitale besturing.
Ik vind dat dit een paar nadelen heeft en daarom is bij onze baan de frequentie hoger gekozen en wel net boven de gehoorgrens, zo ongeveer op 16000 Hertz ( 16 kHz ). De nadelen zijn in mijn ogen het zeer hoorbaar brommen van de locomotief tijdens het rijden maar vooral tijdens het optrekken plus het feit dat niet alle typen motoren tegen deze 400 Hz kunnen. Z.g. klokanker motoren, dit zijn motoren met een verlijmd en ijzerloos anker, trillen bij lage frequenties uit elkaar en daar heb je geen last van bij hogere frequenties.

Terug naar de top

Schakel tableaus.

Terug naar de top

Wisselbediening.

Terug naar de top

De inhaalstations.

Terug naar de introductie pagina.